naar het vorige artikel

Au Courant 19 / 1 (mei 2012), pag. 12–16

dit artikel in pdf

naar het volgende artikel

Van onderwijzer tot pershistoricus –
het levensverhaal van Gerard Termorshuizen

Paul Klein en Gerard Raven

De ware verzamelaar van historische kranten is niet alleen op zoek naar materiaal om de collectie mee uit te breiden, maar wil ook de omstandigheden begrijpen waaronder die kranten zijn uitgegeven. Deskundigen, zoals Gerard Termorshuizen, kunnen ons inzicht verschaffen in de aard van een bepaalde collectie. In Au Courant 18/3 (augustus 2011) publiceerde Gerard Raven een recensie van het tweede deel van een standaardwerk over tweehonderd jaar Nederlandstalige (dagblad)pers in de voormalige kolonie IndiŽ. Dat tweede kloeke deel verscheen afgelopen jaar, het eerste 10 jaar eerder.

foto

Gerard naast zijn portret geschilderd door Marjanne

Dit artikel gaat over de wordingsgeschiedenis van een monumentaal werk van 2000 paginaís. Wat gaat eraan vooraf als een wetenschapper zoín prestatie levert? Uw redacteursduo zocht Gerard Termorshuizen en zijn vrouw Marjanne Arts op in hun karaktervolle huis in Sassenheim. Van de straat kun je de schilderijen al zien hangen die Marjanne, studente aan de kunstacademie, heeft vervaardigd, waaronder diverse portretten van Gerard. Hier woont een echtpaar dat aan elkaar verknocht is, niet alleen door hun gezamenlijke interesse in de Indische en Indonesische letteren. We vervoegen ons bij Gerard op zijn ruime bibliotheek annex werkkamer op de zolderverdieping; Marjanne vergezelt ons. Hoe een onderzoeker erin slaagt om tot een specialisme te komen, wordt bepaald door invloeden en activiteiten over een reeks van jaren; deze laten we hier de revue passeren. We zien dan hoe Gerards arbeidzame en interessante leven als pershistoricus wordt bekroond met zijn productie van twee delen standaardwerk over de Indische persgeschiedenis.

Jeugdjaren in Rotterdam (1935–1950)

Gerard groeide op in hartje Rotterdam in een groot, gereformeerd gezin. Zeker voor een jong kind was het bombardement van 14 mei 1940 een aangrijpende gebeurtenis, met al die vluchtelingen met karren en kinderwagens, en de stank van lijken op straat. Hij blijft zich ook die ellendige hongerwinter herinneren, toen hij 10 jaar oud was en zijn vader een jaar lang als dwangarbeider in Duitsland tewerkgesteld was. Kort na de oorlog gingen een neef en een oom als soldaat naar Nederlands IndiŽ en hun berichten van zeker drie jaar maakten grote indruk. Van zijn vader had Gerard zijn interesse in de politiek overgenomen. Diepe indruk op Gerard maakte het jeugdboek Benito, de jonge zwerver van C. Joh. Kieviet (bekend van Dik Trom), over een arm jochie dat naar IndiŽ gaat en onderweg van alles beleeft. Je kon de plakplaatjes voor dat boek verzamelen op beschuitrollen.

foto

Omslag van het boek waar het allemaal mee begonnen is

Zo begon de jonge Gerard over de Gordel van Smaragd te lezen. Hij mocht de MULO doen; door de standenmaatschappij van die tijd kwam het niet in zijn vader op zijn zoon een hogere opleiding te geven. Gerard sloeg een klas over en deed examen in 1950.

Studiejaren (1950–1970)

Wederom braken zware tijden uit toen in 1950 zijn vader overleed en Gerard ineens de kostwinner werd van een arm gezin van twaalf kinderen, zonder pensioen. Gerard ging werken op kantoor en volgde de avondkweekschool. Op zijn 21ste werd hij onderwijzer op de Montessorischool in Kralingen. Onderwijs geven vond hij erg leuk en hij was een goed verteller. Tijdens zijn onderwijzerschap volgde hij het avondgymnasium en deed in 1960 staatsexamen. Gerard trouwde op zijn 25ste en in 1960 werd een dochter geboren. Na vijf jaar onderwijzer in Rotterdam te zijn geweest, verhuisde het gezin in 1961 naar Amsterdam, waar Gerard zijn beroep als onderwijzer voortzette en waar hij aan twee universitaire studies tegelijk begon: Nederlands en geschiedenis (bij Jacques Presser). In september 1961 belandde Gerard, inmiddels tweedejaarsstudent, als leraar op de Middelbare Meisjes School in de Gerrit van der Veen- straat, waar hij 10 jaar lang Nederlands heeft gedoceerd. De belangstelling voor IndonesiŽ kreeg hier een enorme push, doordat Gerard op die MMS een 26 jaar oudere leraar ontmoette: Rob Nieuwenhuys (zoon van de directeur van Hotel des Indes in Batavia). Ook Gerard Diebels, eveneens afkomstig uit IndiŽ, gaf daar les. Het lerarencorps was in die jaren veelal van aanzienlijker niveau dan tegenwoordig, doorgaans waren de leraren doctorandus of zelfs gepromoveerd. Gerard vroeg of hij bij hun gesprekken mocht zitten. Rob vertelde veel over Insulinde en zette Gerard aan tot het lezen van auteurs met een Indische achtergrond. We vinden anecdotes terug op schoolbank.nl, waar een leerlinge noteerde: ‘Heb goede herinneringen aan Roegholt van geschiedenis en Nieuwenhuys, die Nederlands gaf en mooi kon vertellen over IndonesiŽ, waar ik ook gewoond had’.

Rob, op zijn beurt, was geÔnspireerd door Edgar du Perron, die bij Rob de belangstelling voor de journalist P.A. Daum had gewekt. In een Liber Amicorum voor Rob schreef Gerard later: Indië was voor mij toen niet veel meer dan een door jeugdlectuur en familierelaties gevoede ‘sfeer’. Later heb ik begrepen dat die sfeer al iets van een richting aanwees. Onbedwingbaar daarom was de lust aan te schuiven aan dat tafeltje in de leraarskamer van de ‘Gerrit van der Veen’, waar Nieuwenhuys zijn heimwee zat weg te gnuiven in altijd maar weer nieuwe verhalen. Aan Robs geestdrift viel niet te ontkomen.

Nog tijdens zijn leraarschap studeerde Gerard af met hoofdvak Nederlands, maar op een historisch onderwerp: de omkoperij van Conrad Busken Huet door de Minister van Koloniën, opdat de Java-Bode in Batavia eind 19de eeuw positief over het Cultuurstelsel zou schrijven. Dit onderwerp leidde tot zijn eerste publicatie Busken Huet en het ‘geval Hasselman’ na honderd jaar, en wel in 1969 in het gezaghebbende tijdschrift De Gids (jaargang 132, p. 139–148).

Het Gidsjaar 1969 was ook dat van Gerards scheiding van vrouw en dochters, en van zijn uitzending door het Ministerie van Onderwijs, afdeling Internationale Betrekkingen. Hollanders gingen investeren in IndonesiŽ en waren weer welkom in het land. Nederland en Indonesië wilden de wetenschappelijke contacten op een hoger plan brengen en sloten in 1969 het zgn. Culturele Accoord met Indonesië. Daaruit volgde ook de heropening van de vakgroep Nederlandse Taal- en Letterkunde in Jakarta. Eind jaren dertig was Rob Nieuwenhuys de eerste lector geweest in Batavia (Jakarta); nu, januari 1970, was de tijd rijp voor Gerard om daar op de Universitas Indonesia zijn opvolger te worden.

Verblijf in IndonesiŽ (1970–1975)

Het verblijf in Jakarta was een enorme ervaring, meteen vanaf de aankomst op het toenmalige vliegveld Kemajoran midden in de stad (tegenwoordig is hier een internationaal expositieterrein gevestigd). Gerard had nu een prestigieuze baan en werd dan ook afgehaald door de Nederlandse culturele attaché. Overal hing de geur van stapels doerians op straat en de kreteksigaretten met kruidnagel in de chaotische en drukke stad, die echter in verval was na de staatsgreep van Soeharto in 1965. Er waren maar twee verkeerslichten en overal zag je bedelaars en fietstaxiís. Gerard had een mooi huis en salaris, maar was er ook eenzaam. Gelukkig bood het werk hem afleiding. Hij was er samen met Jan Willem de Vries (de latere hoogleraar moderne taalkunde in Leiden) en twee Indonesische assistenten. Er was enorm veel belangstelling voor het vak. Door het slechte onderwijs waren Indonesische jongeren nauwelijks geïnformeerd over de koloniale tijd. De studenten waren er arm en wilden profiteren van de investeringen van Nederlandse bedrijven en ontwikkelingsprojecten.

Het was opvallend hoe welkom de Nederlanders waren; hoewel met open armen ontvangen, dienden ze zich wel zeer correct te gedragen. Er was in de Indonesische maatschappij van alles mis; daar moest je heel diplomatiek mee omgaan, zoals wanneer je oud-nationalisten ontmoette. Het hielp wel dat je Bahasa Indonesia verstond, maar in het jaar van aankomst had Gerard nog onvoldoende spreekervaring opgedaan. Conversatielessen en een vriendin hielpen hem er gaandeweg doorheen. Het land beviel, maar het werk was zwaar. Ook was er veel contact met de ambassade, waar hij Nederlandse kranten kon lezen, omdat hij graag wilde weten wat er hier gebeurde. De taalachterstand werd ingelopen en Gerard schreef artikelen in het Indonesisch over Nederlandse auteurs die veel invloed hebben gehad op de Indonesische schrijvers, zoals Multatuli, Slauerhoff en Elsschot. Door de lange omgang met land en volk kon hij zich goed inleven in de oude literatuur.

Onderzoek in Leiden (1975–1990)

Gerard begon terug te verlangen naar zijn twee dochters in Nederland en eigenlijk wilde hij ook wel promoveren, wat in Jakarta beslist niet kon, omdat er gewoon geen goede bibliotheek was. Zo vond hij bij het Bureau Indonesische Studiën (BIS) in Leiden een nieuwe baan als coördinator-docent voor de eerste lichtingen Indonesische jongeren, die in Nederland mochten studeren als gevolg van het eerder genoemde Culturele Accoord. Hij vond er ook zijn vrouw Marjanne, met wie hij in 1976 in het huwelijk trad. Dat bureau was onderdeel van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), maar gevestigd in een eigen kantoor aan het Rapenburg. Er waren twintig studenten, die allemaal een paar jaar hier mochten blijven. Gerard heeft er veel studenten begeleid met als leuze: schrijven = communiceren.

foto

Gerard en Marjanne in de studeerkamer / bibliotheek

Gerard en Marjanne spreken nog geregeld Indonesisch met elkaar om de spreekvaardigheid op peil te houden. De interesse voor Indonesië was in het gezin niet onopgemerkt gebleven, want ook Thio, de zoon uit het huwelijk met Marjanne, is afgestudeerd op een Indisch onderwerp: op Dominique Beretty, een kleurrijke figuur die in 1917 persbureau Aneta heeft opgericht. Marjanne heeft een roman van Pramudya Ananta Tur (prominent Indonesisch schrijver 1925–2006) in het Nederlands vertaald.

De Magnum Opus periode (1990–2010)

Gerard wilde promoveren op de invloed van Nederlandse literatuur op de Indonesische, maar een onderdeel ervan, het stijlonderzoek, lag hem niet; hij was toch meer historicus dan letterkundige. Rob zette hem op de journalist (hoofdredacteur Bataviaasch Nieuwsblad) en krantenuitgever P.A. Daum, een onderwerp waar Rob zelf op had willen promoveren, maar deze figuur werd nu het onderwerp van Gerards promotie.

foto

Een pagina uit de vele leggers met jaargangen

De persoon Daum trok Gerard enorm: kleurrijk, controversieel dus allesbehalve saai. Daum ging zelf een tiental romans schrijven, omdat feuilletons kopen gewoon te duur was. Zo werd Daum van journalist een romancier en hij kende het Indische leven door en door. Door zijn interesse in Daum is Gerard daarna de Indische pers gaan bestuderen. Hij las in de Koninklijke Bibliotheek al Daums kranten en zo werd 1988 het jaar waarin Gerard cum laude promoveerde op ‘Daum’. In die tijd was Gerard ook medeoprichter van Indische Letteren; twintig jaar lang bleef hij redacteur van dit gevarieerde tijdschrift. Tussendoor heeft Gerard in 1989 nog een reisschets van Daum uitgegeven. In 1997–1998 volgden drie delen verzamelde romans van Daum, met een bundel artikelen van collegaís over nieuwe aspecten van het leven van deze auteur.

foto

De sectie Daumiana in de studeerkamer / bibliotheek

In 1990 begon Gerard aan het logisch vervolg van het onderzoek naar Daum: een volledige geschiedenis van de Indische Nederlandstalige pers. Zijn instituut KITLV vond het buitengewoon interessant, want zo hadden ze een kenner van de Indische pers in huis. Daarom wilden ze hem ook wel vasthouden en zo kon Gerard op zijn 58ste met vervroegd pensioen gaan en hoefde hij geen college meer te geven. Gerard werd gastonderzoeker en kon dus wel op het instituut blijven werken aan zijn personderzoek.

Daar er in Indië geen persvrijheid bestond, moesten er vanwege de censuur achteraf aan de Algemene Secretarie in Batavia een exemplaar van elke dagbladuitgave geleverd worden en deze werden tweemaal per jaar naar het Ministerie van Koloniën in Den Haag doorgestuurd. Pas later zijn die overgedragen aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waar ze sindsdien worden bewaard. Bovendien kreeg hij in 1997 subsidie om een documentaliste in te huren om hem te assisteren bij het bibliografisch werk. Er werd in kaart gebracht welke kranten we in Nederland niet hadden (dat was slechts 5%); deze werden dan in Jakarta gekopieerd. Let wel, dat er destijds nog niets gedigitaliseerd was. Gerard las de leggers en legde briefjes bij interessante passages; die dan werden gekopieerd. Wat hij zou vinden, was vooraf niet duidelijk. Als onderzoeker had hij vooral oog voor de relaties tussen mensen. Door zijn werk als begeleider van studenten had hij wel geleerd te schrijven: de lezer de dingen voortoveren, verhalen vertellen als je ze zelf helder hebt. Gerard had een vaste plaats in het amper verwarmde magazijn van de Koninklijke Bibliotheek en werkte er drie dagen per week. Op het instituut en thuis werkte hij in nog eens drie dagen het bronmateriaal verder uit. Van de twintig jaar heeft Gerard er zeker twaalf in de Koninklijke Bibliotheek doorgebracht. Als Gerard vooraf geweten had dat hij hier twintig jaar mee bezig zou blijven, dan zou hij er mogelijk niet aan zijn begonnen. Tijdens het schrijven van het begin van zijn tweede deel in 2004 werd bij hem borstkanker geconstateerd en Gerard was erg bang dat hij het werk niet af zou krijgen. Gelukkig is hij vrij snel hersteld, wat uiteraard een grote opluchting voor hem was. Gerard heeft zijn onderzoek laten doorlopen tot aan 1942. Het onderzoek was een geweldige ervaring en het is zijn levenswerk geworden.

De naoorlogse periode wordt nu aangepakt door Angelie Sens (directeur van het Persmuseum), die begonnen is met het schrijven van deel 3. De inheemse pers heeft Gerard ook niet gedaan. Volgens de overeenkomst zouden de Indonesiërs dat zelf doen en er is inderdaad een prima boek van Ahmat Bin Adam: The vernacular press and the emergence of modern Indonesian consciousness (1855–1913). De periode na 1913 is nog niet beschreven, want het bestuderen van de nationalistische pers was in Soeharto's tijd niet gewenst. Men zou eens op ideeŽn kunnen komen . . .

Wat nog in het verschiet ligt

Inmiddels heeft Gerard een nieuw project: het archief van de Haagse afdeling van persbureau Aneta ligt bij hem thuis. Het liefst zou hij een biografie hebben geschreven over Dominique Berretty, de eerder genoemde oprichter van persbureau Aneta in Batavia, maar dat zou te ver hebben gevoerd. Dus wordt het een boek over Berretty's Haagse zetbaas Herman Salomonson (1892–1942), die in de jaren twintig onder het pseudoniem Melis Stoke in de Java-Bode publiceerde, de krant waarvan hijzelf hoofdredacteur was.

Vele uren na aankomst nemen we afscheid van een gezellig wetenschappelijk duo – waar vind je die twee kwaliteiten zo goed gecombineerd! Marjanne neemt de kwast ter hand en Gerard slaat het archief-Aneta op. Hopelijk is het hem vergund dat hij ook zijn nieuwe onderzoek tot voltooing kan brengen.

Boeken van Termorshuizen met reductie

Naar aanleiding van de recensie van zijn boek Realisten en reactionairen. Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers 1905–1942 in de eervorige uitgave van Au Courant (pag. 14–15) meldt Gerard Termorshuizen dat hij leden van de VKTV dit boek voor een vriendenprijs van € 35,00 kan bieden. Gerard heeft ook nog een paar exemplaren van Journalisten en heethoofden. Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers over de jaren 1744–1905, dat al lang niet meer op de markt is. Tel. 0252-223016 (ís avonds) of e-mail gtermors@kitlv.nl en g.termorshuizen@yahoo.com.