naar vorige artikel

Au Courant 19 / 2 (augustus 2012), pag. 8–11

dit artikel in pdf

naar volgende artikel

Hans Liefting en de politieke publicaties uit de jaren 1920

Paul Klein

In dit nummer van Au Courant maken we kennis met wederom een verzamelaar uit de beginjaren van onze vereniging. Uw redacteur is afgereisd naar het noorden van het land, waar Hans Liefting mij ontvangt in Leeuwarden, in het uiterste westeinde van de gelijknamige wijk. Anders dan in VKTV-kringen gebruikelijk is het verzamelde hier netjes geordend en het woonhuis maakt allesbehalve een volgestouwde indruk.

foto

Hans' collectie

De oudste krant in Hans' bezit is naar zijn zeggen de Tydingen uyt verscheyden quartieren, van Broer Jansz. en zijn zoons, uit 1648. Ook een exemplaar van de Opregte Haerlemsche Courant uit 1668 is in zijn bezit. Voor mijn bezoek had Hans zelf een selectie gemaakt van de exemplaren die hij me wilde laten zien, afkomstig uit de kartonnen dozen (zie foto). Al bladerend door de uitgekozen exemplaren en luisterend naar de toelichtingen op al die speciale nummers kreeg ik een beeld van de omvang en de verscheidenheid van wat Hans over de decennia zo had bijeengebracht.

Archeologie

We moeten hier onderscheid maken tussen de diverse verzamelingen die naast elkaar, veelal na elkaar in de tijd, zijn aangelegd, te beginnen met de archeologische vondsten. Deze interesse heeft Hans overgenomen van zijn vader, die amateur-archeoloog was en ook verzamelaar. Nog elke week is Hans een dag actief als vrijwilliger in het Fries Museum op de afdeling archeologie.

Moderne schilderkunst

We gaan een paar miljoen jaar verder in de tijd en komen aan bij de twintigste-eeuwse schilderkunst, met name van Hendrik Werkman en van zijn Ploeg-genoten. We kijken met bewondering naar de kleurige schilderijen die bij Hans thuis een plaats hebben gekregen. Dan is het nog maar een kleine stap naar wat Hans aanvankelijk verzamelde: publicaties die zo kenmerkend waren voor de jaren twintig, met dat hele scala aan vernieuwingsbewegingen op literair, artistiek en politiek terrein.

foto

Het Avantgarde-tijdperk

Hans is rond 1960 begonnen met publicaties te verzamelen; ik veronderstel dat hij toen juist was afgestudeerd en een werkkring had gevonden. In zijn werkzame leven is Hans verbonden geweest als psychotherapeut aan het Bonifatius Hospitaal in Leeuwarden.
Zijn jaargangen avantgardebladen bewaart hij in al die kartonnen dozen; de foto laat er wel honderd zien. Ondanks dat Hans talloze titels tijdschriften uit deze periode met enthousiasme weet op te noemen en de achtergrond van die bladen weet te duiden, bleven de dozen waar ze in opgeborgen zijn ongeopend. Ik zie ook geen etiketten – zou Hans uit zijn hoofd weten wat in welke doos bewaard wordt? Hij noemt titels die niet bij het grote publiek bekend zijn, zoals The Next Call: Hans is in het bezit van nummer 4. De nummers 1 t/m 9 zijn tussen 1923 en 1926 door de drukker van De Ploeg, Hendrik Werkman, uitgegeven in een oplage van 40. Een andere doos bevat de vierde jaargang van De Moker, het ‘opruiend blad voor jonge arbeiders’ uit 1927 van Teun de Slooper, die ageerde tegen de vijf K's: kerk, kapitaal, koningshuis, kroeg en kazerne. Hans heeft meer anarchistische bladen uit die jaren, maar ook bladen die toen een andere politieke richting insloegen, kijkend naar het oosten, bijvoorbeeld Erik Wichmanns De Bezem – Fascistisch Weekblad voor Nederland (vanaf 1926 – Hans heeft die eerste jaargang!), later voortgezet als De Nieuwe Bezem, en daarna weer als De Jonge Bezem, waarna volgende uitgaven diverse richtingen insloegen, zoals naar de NSB-bladen als Zwart Front (1934) van Arnold Meijer.

foto

foto

Republiek van Weimar (1918–1933)

Al geruime tijd gaat Hans' interesse uit naar een vierde onderwerp: naar de kranten uit de Republiek van Weimar, dus we blijven wel in de periode 1918–1933. We bekijken een aantal exemplaren van de Völkischer Beobachter. De editie van 26-9-1920 heeft nog de ondertitel Deutschwirtschaftszeitung en toont dus nog niet de ondertitel Kampfblatt der nazional-sozialistischen Bewegung Großdeutschlands, die we wel zien op zijn exemplaar van 13-3-1921. Kijk, dat zijn de details waarmee je de ware verzamelaars eruit pikt. In deze jaren is de macht van Hitler nog beperkt, hetgeen ook blijkt uit Hans' andere bronnen uit 1920 die we nu samen doornemen, zoals de uitgave van het historisch tijdschrift Vierteljahrhefte für Zeitgeschichte (juli 1963), waar in het hoofdstuk Hitler als Parteiredner im Jahre 1920 alle politieverslagen zijn opgenomen van NSDAP-bijeenkomsten uit die tijd. We lezen een officiële samenvatting van wat Hitler als derde spreker die avond heeft betoogd ten overstaan van 3000 toehoorders. Treffend is de aparte politievermelding “ohne Störung” – kennelijk was deze kenschets het waard om aan te duiden dat het deze keer inderdaad ordentelijk was verlopen.

foto

Het is trouwens niet toevallig dat de collectie van Harry Hilgerdenaar (zie elders in dit nummer, o.a. over de Bierkellerputsch) hier overeenkomsten laat zien – Hans en Harry hebben vroeger samen naar het oosten gereisd op zoek naar aanvulling van hun gelijkgerichte verzamelingen. Als we door de jaren heenbladeren, vallen de nummers van de Völkischer Beobachter op waar de krant steeds zijn koers aanpast. We lezen in Hans' editie van deze krant van 13 augustus 1930 dat alle edities – Bayernausgabe, Reichsausgabe en Berliner Ausgabe – met onmiddellijke ingang op 11 augustus voor 4 dagen door de politie van München verboden worden. De Völkischer Beobachter van 13 augustus bevat alleen de publicatie van dit verbod op de titelpagina en kent dus geen andere gedrukte pagina's.

foto

Door de economische crisis van 1929 kreeg de NSDAP op ongekende wijze de wind in de zeilen en was bij de verkiezingen in 1930 al de op een na grootste partij geworden. Dan kijken we twee jaar verder en zien we een opvallende titelpagina op de uitgave van maandag/dinsdag 1/2 augustus 1932, met in rood onderstreept: 229 nationalsozialistische Reichstagsabgeordnete. Adolf Hitler (in 1930 werd deze krant al onder zijn leiding uitgegeven) schrijft hier op de voorpagina in een hoofdredactioneel commentaar dat de NSDAP de grootste partij van de Rijksdag is geworden.

foto

Exilpresse

We gaan iets verder in de tijd en treffen een volgend fenomeen aan in Hans' collecties. Duitstalige publicaties werden in andere Europese landen uitgegeven (bv. in Praag) door die schrijvers die tijdens het nationaalsocialisme hun toevlucht elders moesten zoeken. Die tijdschriften konden bestaan tot het moment waarop ook die landen bezet werden, dus gaandeweg in de jaren 1933–1939. Er zijn veel voorbeelden van zulke bladen, zoals Weltbühne, later Neue Weltbühne. Klaus Mann (zoon van Thomas Mann) is in die tijd als (homoseksuele) schrijver wereldberoemd en moest in 1933 zijn land ontvluchten. Buiten het Derde Rijk hebben deze Exil-bladen veel steun ontvangen; zo heeft uitgeverij Querido in Amsterdam zijn maandblad Die Sammlung uitgegeven. Auteurs van wereldfaam publiceerden in dit blad van Klaus Mann. Die Rote Fahne, een in 1918 door Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg opgericht dagblad, kreeg snel hoge oplagecijfers en kwam vanaf 1921 al twee maal daags uit. Dit officiČle orgaan van de Kommunistische Partei Deutschlands kon natuurlijk na 1933 niet meer officieel verschijnen. Terwijl de beide oprichters al in 1919 werden vermoord door politieke tegenstanders, bleef de krant toch langdurig ondergronds (tot 1945) bestaan. Het zijn dit soort bladen die de kern van Hans' verzameling vormen.
In dit verband wijst Hans me ook op politieke uitingen in Nederland in die jaren, zoals van Menno ter Braak, die in 1938 in De Groene een aanklacht tegen de Nederlanders publiceerde onder de titel Het Verraad der Vlaggen Dit slaat op de Nederlanders, die naar aanleiding van de ‘vrede van München’ gingen vlaggen.

Tot slot zien we twee identieke exemplaren van Der Panzerbär van 29 april 1945, het laatste blad uit Berlijn. Er wordt daarin nog plechtig de eindoverwinning toegezegd (één dag later pleegde Adolf Hitler zelfmoord). Gezien de grote vraag naar dit exemplaar wordt dit veel gekopieerd, in ons geval te zien aan de lichtere kleur (die mogelijk is ontstaan door naoorlogse toevoeging van fosfor). Dus verzamelaars, pas op!

foto

Ik was het huis al uit toen Hans me nariep om nog even een blik te werpen in Blauwe en rode jeugd: een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, dat proefschrift van Ger Harmsen, u weet wel, die eerdere scholingsleider van de CPN en die latere hoogleraar dialectische filosofie en historische sociologie uit Groningen, kortom: een schoolvoorbeeld uit de richtingenstrijd, waar Hans zoveel van af wist en alles van verzameld had.