naar vorige artikel

Au Courant 19 / 3–4 (december 2012), pag. 23–26

dit artikel in pdf

naar volgende artikel

Over het samengaan van NRC en Handelsblad

Gerard Raven

Pien van der Hoeven, Het succes van een kwaliteitskrant: de ontstaansgeschiedenis van NRC Handelsblad (Amsterdam: Prometheus, 2012), 553 pp., isbn 978-90-446-1769-6, € 30;
(handelseditie van het proefschrift, verdedigd op 1-11-2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen)

Pien van der Hoeven, Twee kranten, twee paleizen: over de oorsprong van NRC Handelsblad (Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2010), 64 pp., isbn 978-90-79985-26-5, € 15.

Onlangs hebben we op de VKTV-website een lijstje gezet met monografieën van afzonderlijke krantentitels. Het is indrukwekkend geworden. Vooral de laatste jaren verschijnt het ene na het andere boek. De nieuwste loot aan deze vruchtbare stam is het proefschrift van Pien van der Hoeven, universitair docent Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een goede keus, want NRC en Handelsblad waren tot dusver zwaar onderbelicht. In 1999 is alleen 1900–1999 Een eeuw in voorpagina's verschenen, geselecteerd door Bas Blokker en Hendrik Spiering (notabene met daarin een foutieve versie van de fusiekrant van 1 oktober 1970). Paul T. van de Laar schreef eerder over de fusie Twee heren vinden elkaar: de fusie van de NRC en het Algemeen Handelsblad bedrijfseconomisch bekeken (Rotterdam, 1989). Er was zelfs al een eerder fusieplan, van 1914 (Van der Hoeven ontdekte dat zowel Van de Laar als Frank van Vree dit ten onrechte hebben gedateerd op 1922).

foto

Meer inhoud dan beloofd

Eerst biedt Pien van der Hoeven een korte geschiedenis van de twee voorgangers Algemeen Handelsblad en Nieuwe Rotterdamse Courant; dit overzicht is ook apart gepubliceerd. Hoewel zij zich daarna concentreert op de jaren 1958–1977 had zij een vuistdik boek nodig. Dan verwacht je een superwetenschappelijk verhaal, waar je niet doorheen komt. Maar dat is het niet. Zowel Paul Klein als ik lazen het in korte tijd uit en het is een genoegen. Dat komt doordat de auteur nergens blijft steken in details. Van der Hoeven heeft bewust ook geen inhoudsanalyse gemaakt, zoals Gerard Termorshuizen met de Indische kranten en Marcel Broersma met de Leeuwarder Courant deden. Wel heeft zij waar nodig de kranten zelf geraadpleegd op microfiche (had ze maar eerder onze collectie in Waverveen in kunnen kijken!)

Van der Hoeven had het geluk dat alle belangrijke spelers nog te spreken waren. Dat was vooral van belang omdat de bedrijfsarchieven maar fragmentarisch bewaard waren. Het gebrek aan ‛tegenwerking’ van liberalen heeft de motivatie om het eigen erfgoed te bewaren verzwakt, dit in tegenstelling tot de christelijke en socialistische zuilen.


Fusie

In 1964 ontstond de Nederlandse Dagbladunie (NDU), toen het NRC-concern het Algemeen Handelsblad opslokte. Echter, de cultuurverschillen tussen de twee kranten maakte samenwerking eerst moeizaam. Opvallend genoeg gold de NRC eerst als ‛rood’ en het Algemeen Handelsblad als de bezadigde elitekrant, maar die etiketten waren een decennium later volstrekt omgewisseld: afstandelijk tegenover geëngageerd. Toen wisten de journalisten in Amsterdam naadloos in te spelen op de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van de roerige jaren zestig, terwijl de baronnen van Rotterdam de boot feitelijk gemist hadden.

De fusie van de twee kranten had volgens de auteur eigenlijk al in 1967 kunnen plaatsvinden, omdat toen de Amsterdamse beursberichten om 1 uur 's middags beschikbaar kwamen en dus tijdig in het avondblad konden komen. Maar er moesten eerst een blokkerende directeur en hoofdredacteur verdwijnen. Toen de televisie reclame ging uitzenden, verloren de dagbladen veel advertentie-inkomsten, wat de meeste dagbladen in moeilijkheden bracht. De tekorten op de exploitatie dwongen de NDU in 1969 al tot gedeeltelijke integratie en een jaar later tot fusie. De hoofdredacteuren kregen deze simpelweg aangezegd.

De veranderingen kwamen bepaald niet zonder strijd. De auteur beschrijft beeldend de verbazing van de Rotterdamse dassen over de Amsterdamse kabouters en andersom. En passant stelt zij (pp. 186–187) dat de jaren zestig meer maatschappelijke strijd tussen vernieuwers en behouders kenden dan James Kennedy in zijn proefschrift stelde. Ze toont dit ook aan aan de hand van personen, omdat ze (met Mariëtte Wolf, onderzoeker van De Telegraaf) vindt dat journalistenbiografieën te weinig aandacht krijgen. Dit terwijl journalisten volgens haar juist meer maatschappelijke invloed hebben dan politici. Toch vindt ze dat je niet teveel naar de redacties alleen moet kijken, zoals Annet Mooij deed in haar boek over de Volkskrant, maar ook naar de krant zelf en naar het krantenbedrijf.

Het is nauwelijks te geloven, maar midden in de fusie was er even sprake van om ook het katholieke dagblad De Tijd in de samensmelting van elitekranten mee te nemen. Dat was in al het fusiegeweld teveel en persoonlijke karakters speelden daarin een complicerende rol. Het tekende wel het vonnis van de derde partner, die enkele jaren later werd omgezet in een weekblad. De gedachte dat de liberale bladen teveel anti-katholiek waren, wordt door de auteur vakkundig ontzenuwd.

foto foto
“Er komt een krant” (één krant, eigenlijk) staat nog op 30 september 1970 vermeld in het allerlaatste Algemeen Handelsblad en in de allerlaatste Nieuwe Rotterdamse Courant.

Kwaliteitskrant

De fusie van de twee kranten kwam op een goed moment, omdat Nederland steeds meer hoog opgeleid, individualistisch en ontzuild werd. Die nieuwe lezers hadden niet veel op met het oude elitaire karakter van de kranten, maar wilden wel meer journalistiek niveau. Het begrip kwaliteitskrant verschoof daardoor van betekenis: in plaats van een krant voor de hoogste klasse werd het een krant voor de hoger opgeleiden.

Kortheidshalve spreekt iedereen tegenwoordig van NRC, en dat zegt veel over het beeld dat we van deze krant hebben. Het is een Rotterdams product; de titel Handelsblad NRC, die de noordelijke versie enige tijd voerde, is volstrekt vergeten. De NRC was dan ook economisch de sterkste van de twee.

Inhoudelijk was NRC Handelsblad echter vrijwel vanaf het begin een Amsterdamse krant. Hoofdredacteuren Henk Hofland en André Spoor namen hun succesvolle journalistieke formule feitelijk mee naar de nieuwe krant. De kenmerken daarvan waren actieve journalistiek, objectiviteit, een dikkere krant die meer achtergronden mogelijk maakte en het nieuws veel vollediger bracht, veel aandacht voor politiek, buitenland en cultuur en bewust geen binding met een politieke partij. In vrij korte tijd kreeg de Amsterdamse aanpak in alle redacties de overhand. Daarmee kon uit twee noodlijdende elitekranten een sterkere en betere kwaliteitskrant ontstaan, iets dat destijds zelfs door de betrokkenen als een wonder moet zijn beleefd. Wel viermaal durfde de directie de prijs te verhogen, waarmee weer winst werd gemaakt en ook geld kon worden geïnvesteerd.

Zo kon de kwaliteit verder worden verbeterd en kon het blad zelfs uitgroeien tot dé kwaliteitskrant van Nederland. Het dagbladlandschap was voortaan verdeeld volgens niveau en niet langer volgens zuilen. De mooiste illustratie van de voorbeeldfunctie van NRC Handelsblad is het Cultureel Supplement, een verschijnsel dat destijds compleet nieuw was. Zo slaagde men erin om andere doelgroepen aan te trekken uit de oude zuilen en de lezers het dure abonnement toch te laten betalen, waarbij opvallend veel dertigers en veertigers als nieuwe lezers. Daardoor maakte de krant in 1973 weer winst en begon het aantal abonnees een jaar later aan een gestage opmars: het jaar dat De Tijd als dagblad stopte. Het prestige van de NRC was in 1977 al zó gestegen dat er wel gedacht is dat de krant invloed heeft gehad op de kabinetsformatie; de auteur relativeert dat.


Ingehouden

Dit boek munt uit door de heldere samenhang en de ingehouden toon. Processen worden beeldend beschreven en personen raak gekarakteriseerd. Soms vermoeit dat juist wat, omdat je toch ook wel eens wat sappiger details wilt. Maar ook daarin word je op je wenken bediend. Een prachtig voorbeeld is de ruzie rond een recensie van een boek van Rudy Kousbroek door Bert Poll in 1975. Van der Hoeven kiest zulke inkijkjes echter zuinig en bewust. In dit geval illustreert zij ermee hoe zowel Poll als zelfs Spoor zich lieten kennen en ontspoorden.

Tegelijk maakt de auteur duidelijk dat Hofland in de opbouw van de nieuwe krant een minder grote rol had dan eerder is gedacht. Vooral Spoor is daardoor onderbelicht. Hij wordt geprezen omdat hij “tegen de mode in” (pag. 440) ging om de Koude Oorlog te bagatelliseren en om linkse ideeën te volgen, zoals de Volkskrant deed. Hij zorgde intussen wel voor een politiek gemengde journalistengroep, waardoor de krant objectiever was. Geen wonder dat bijna 40% van de lezers links stemde en bijna 19% christelijk, tegen 44% VVD. De krant was dus progressiever dan de liberale partij.

Gemist

Het is geen kunst om op elke slak zout te leggen in een boek als dit. Waarom lees je bijvoorbeeld niets over de arrogantie van de cultuurredactie of weinig over de vrouwelijke lezer? Mooij geeft veel meer kleur aan haar hoofdfiguren, terwijl die bij Van der Hoeven zakelijk blijven; de auteurs hebben daarbij de stijl van hun krant ook in hun boek tot uitdrukking gebracht. En natuurlijk missen we de geschiedenis van 1828 tot 1958 en na 1977. De interessantste periode is belicht; de voorgeschiedenis hebben we er in korte vorm al bij cadeau gekregen. Pien van der Hoeven heeft bewezen dat zij de eerste kandidaat is als de NRC de recente tijd nog eens wil laten beschrijven.

foto
pag. 462: Vers van de pers. Een lid van het technische personeel van de NDU keurt een nieuw nummer van NRC HANDELSBLAD.