naar vorige artikel

Au Courant 21 / 1 (juni 2014), pags. 4–5

dit artikel in pdf

naar volgende artikel

Twee boekrecensies over de Indische pers

Gerard Raven

Geert Onno Prins, Inge Tromp en Peter van Zonneveld (red.)Van felle kritiek tot feuilleton: de Indische pers en de literatuur (Hilversum: Verloren, 2013), 166 pp., isbn 978-90-8704-381-0, € 15

Mirjam Maters, Van zachte wenk tot harde hand: persvrijheid en persbreidel in Nederlands-Indië 1906–1942 (Hilversum: Verloren, 1998), 320 pp., isbn 978-90-6550-596-2, € 25

Eerder besprak ik de tweedelige geschiedschrijving (in Au Courant 18/3, pag. 14–16) van de Indische pers door ons lid Gerard Termorshuizen, gevolgd door een vraaggesprek dat Paul Klein en ik met hem voerden (in Au Courant 19/1, pag. 12–16).

Termorshuizen schreef ook veel over Indische literatuur en de Werkgroep Indische Letteren heeft nu een alleraardigste bundel gemaakt als hommage aan hem. Voor wie vooral geïnteresseerd is in persgeschiedenis kan de bundel te literair getint zijn, maar ik heb deze invalshoek altijd heel boeiend gevonden. De boodschap van de auteurs is dat de Indische pers een onmisbare schatkamer is voor literair onderzoek, die bovendien nog nauwelijks benut is.

Intussen wordt de geschiedschrijving van Termorshuizen prachtig geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk. Schrijvers publiceerden hun romans vaak eerst als feuilleton in de krant, soms onder pseudoniem. We komen ook journalisten tegen die vanwege hun kritiek op de regering de gevangenis in draaiden; bij gebrek aan een parlement was de krant immers de tegenstem. Bij het eerste vonnis in 1859 kreeg de redacteur van het Bataviaasch Handelsblad anderhalf jaar gevangenisstraf. In de Java-Bode protesteerde de redactie geregeld tegen de uitzichtloze Atjeh-oorlog en dat leverde bijvoorbeeld in 1874 een jaar zitten op. Vergeleken daarmee kwam de redacteur van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië er in 1886 goed af met een maand cel voor majesteitsschennis. Vervolgens kon hij nog zijn belevenissen publiceren, maar ook viel toen het doek voor de krant en dus voor zijn baan. Kranten waren een welkome afwisseling in het eentonige koloniale bestaan, maar uit een dagboek van een Nederlandse reiziger lezen we ook irritatie over de dwarse arrogantie en ‛beginselloosheid’ van de pers (pag. 81).

Boeiend is de weergave in de kranten van twee opzienbarende zaken in 1905 en 1908: de arrestatie van de laatste opstandelingen in Atjeh en de moord op een Indische edelman, die door de blanke elite was zwartgemaakt. Hierin liet de Nederlandstalige pers zich kennen als instrument van de koloniale machthebbers, immers de lezers. Interessant is verder de opkomst van de foto in de krant, vooral toen in de jaren dertig de kleine camera voor amateurs in zwang kwam. Juist de familiefoto's van Nederlanders en Indo's die in de jaren vijftig naar Nederland kwamen, hebben ons collectieve beeld van Indië vormgegeven.

foto

Uitgeverij Verloren attendeert in de catalogus altijd ook op eerder verschenen boeken en zo ontdekte ik het proefschrift van Mirjam Naters. Het is een gedegen archiefonderzoek naar het persbeleid in de eerste helft van de 20ste eeuw, dat verder reliëf krijgt doordat dit is vergeleken met andere landen. Daarbij had Nederland de meeste persvrijheid, Japan de minste en werd Indië geleidelijk steeds strenger. Net als in het Britse India was dat ook een gevolg van de opkomst van de inheemse onafhankelijkheidsbeweging, maar tot twee maal toe lieten de Britten in India de teugels weer wat varen als dat kon. Dat was in Nederlands-Indië ondenkbaar.

foto