naar vorige artikel

Au Courant 21 / 2 (november 2015), pag. 4-7

dit artikel in pdf

naar volgende artikel

Simon Carmiggelt, zijn jaren bij Vooruit (1931–1940)

Job Schouten, Persmuseum

“Ik ken de knaap, hij is allright”, schreef Johan Winkler aan Klaas Voskuil als reactie op de sollicitatie van de achttienjarige Simon Carmiggelt.

Johan Winkler kende Simon, die wel eens was ingevallen voor zijn vier jaar oudere broer Jan Carmiggelt, die als los medewerker muziekrecensies schreef voor Vooruit. De algemeen directeur van De Arbeiderspers en hoofdredacteur van Vooruit, Y.G. van der Veen, reageerde echter alsof hij door een horzel werd gestoken; het was immers diezelfde jongeman S.J. Carmiggelt, die als los medewerker met een zeer kritische filmrecensie een bioscoop van de advertentiepagina's had geschreven. Klaas Voskuil vond dit juist voor hem pleiten en met hulp van Johan Winkler weet hij Van der Veen te overreden om Simon Carmiggelt aan te nemen met de toezegging dat hij Carmiggelt geen filmrecensies zou laten schrijven (zie: Henk van Gelder, Simon Carmiggelt. Het levensverhaal, Amsterdam, 2000).

En zo trad eind 1931 de achttienjarige Simon Carmiggelt in dienst als leerling-verslaggever bij het dagblad Vooruit, de Haagse editie van Het Volk. In zijn Kronkel ‛Ja meneer’ (Het Parool, 17 augustus 1978) schreef hij hierover: “Toen ik negentien jaar oud was, werkte ik in Den Haag bij een krant die in Amsterdam werd gezet, opgemaakt en gedrukt. Ook toen al wilde ik graag cursiefjes schrijven. Maar dat mocht ik niet, want ze hadden op de redactie iemand die dat elke dag deed”.

foto

Onder de hoede van Voskuil ontwikkelde de ijverige Carmiggelt zich vrij snel tot een geroutineerd verslaggever van moorden, branden en interviews met honderdjarigen. In een van zijn vroege reportages heeft Carmiggelt iets teveel begrip getoond voor een man die zijn vrouw heeft vermoord: de dader wist de jonge nog onervaren journalist te overtuigen dat zijn vrouw een secreet eerste klas was geweest. Carmiggelt schreef een meelevend verhaal in Vooruit. Zijn hoofdredacteur en, zoals Carmiggelt later in een interview hem haeft omschreven, zijn mentor Voskuil waarschuwde hem dat hij hiermee problemen zou krijgen. De ervaren Voskuil had het goed ingeschat: na verschijning van zijn reportage werd Carmiggelt nog weken later door de drie zoons van de ontslapene, stuk voor stuk boomstammen van kerels, bij zijn woning opgewacht (zie: Boet Kokke, Een rotwijf. In: Luizen in de pels, Amsterdam, 1984, pag. 135).

Later is Carmiggelt ook verslagen gaan schrijven over bijeenkomsten van de verschillende fascistische bewegingen, waarvan de NSB van Anton Mussert de grootste was. Voskuil vond het namelijk belangrijk om de ware aard en het gevaar van deze bewegingen te tonen. In een interview met Madelon de Keizer zei Carmiggelt er zelf over: “Het was, laat ons zeggen, politiek belangrijk om telkens te laten blijken dat de NSB maar spéélde dat ze niet anti-semitisch waren.” Door zich als een onnozele journalist op te stellen wist hij partijleden uitspraken te ontlokken waarin zij onverhuld blijk geven van hun antisemitisme.

foto foto

Op 20 november 1935 was Carmiggelt als toneelrecensent aanwezig op de Haagse première van het antifascistische toneelstuk De Beul, met in de hoofdrol Albert van Dalsum; dit werd zijn eerste toneelrecensie voor Vooruit. Hierin wees hij weliswaar op de ambachtelijke tekortkomingen bij het schrijven van dit toneelstuk, maar roemde het voortreffelijke regisseurswerk en het spel van Albert van Dalsum. Carmiggelt stelde in zijn recensie vast: “Van de notabelen hebben wij geleerd dat de kunst iets is om in weg te dromen, een soort onschadelijk opium, bijzonder geschikt om de aanhoudende stijging der werkloosheid [. . .] en nog veel meer verontrustende dingen te doen vergeten. Van Dalsum gooit met De Beul de hele boel in duigen. Want dit stuk is vandáág geschreven, over de toestand van vandaag”. Het toneelstuk heeft in de landelijke pers tot felle polemieken geleid met oproepen tot boycot van de voorstellingen. Met name De Telegraaf en Volk en Vaderland van Anton Mussert voerden een felle hetze tegen het stuk en verweten de gemeentelijke overheid verspilling van gemeenschapsgeld.

In Den Haag speelde al jarenlang een conflict tussen de Commissie van Beheer over de Koninklijke Schouwburg en de bespelers van de schouwburg over de preventieve censuur van deze commissie. In 1937 behoorde Carmiggelt tot een van de ondertekenaars van een verklaring, waarin een aantal Haagse toneelrecensenten, waaronder ook Menno ter Braak en Cornelis Veth, protest hebben aangetekend tegen het beleid van preventieve censuur.

Twee maanden na zijn eerste recensie in Vooruit werd Carmiggelt in 1936 benoemd tot kunstredacteur; naast toneel- en filmrecensies ging hij artikelen schrijven over het Haagse kunstleven en twee vaste rubrieken: op dinsdag, donderdag en zaterdag een kroniek Voor den politierechter, waarvan de eerste op 4 februari 1936 is verschenen, en vanaf 9 maart 1936 op maandag, woensdag en vrijdag een cursiefje Kleinigheden, humoristische stukjes over dagelijkse gebeurtenissen, een opmaat naar zijn latere Kronkels in Het Parool. Ook sommige van zijn kroniekjes Voor den politierechter zouden niet misstaan in een van zijn latere bundels, getuige het volgende fragment over een recidivist. “Ik ga gauw dood”, zei het ouwe kleermakertje, dat ze voor een diefstal gegrepen hadden en hij trad in details over z'n hartkwaal. “Door alle doktoren opgegeven”. Het klonk bijna triomfantelijk [. . .] Het ouwe mannetje deugde niet – dat werd zo helder als glas. Hij had 24 veroordelingen achter z'n kromme rug en het was allemaal diefstal en nog eens diefstal. “Uit nood”, zei hij, een beetje geschrokken van de accuratesse van de griffie. Hij kreeg een voorwaardelijke straf van 3 maanden. “Ik maak het niet lang meer”, zei hij nog eens en wreef over z'n hoofd.

foto

Na de inval van Duitsland op 10 mei 1940 was de publicatie van de rubriek Kleinigheden gedurende drie weken gestaakt; op donderdag 23 mei 1940 werd de publicatie hiervan hervat; zijn stukje begon met de vaststelling “Reizen is niet eenvoudig tegenwoordig”, maar het vervolg van het verhaal bevatte verder geen enkele verwijzing naar de actuele situatie. Ook de volgende en tevens laatste aflevering van Kleinigheden op 30 mei beperkte zich tot de vermelding “Vlak voor de oorlog . . . ” waarna een verhaaltje volgde over een dichter, die zich bij zijn uitgever had beklaagd over een slecht lopend horloge dat hij van hem had gekregen. De uitgever antwoordde hem: “Mijnheer, denkt u soms dat uw dichtbundel gaat”?

De laatste Voor den politierechter was op 27 mei, waarin Carmiggelt tijdens een zitting een onderscheid maakte tussen twee soorten beledigingen jegens politieagenten, de een gemaakt door een gehaaste en zenuwachtige steuntrekker, de ander door een onverschillig crimineeltje.

In een schrijven van directeur Y.G. van der Veen, gedateerd 8 juni 1940, werd Voskuil verzocht om Carmiggelt aan te spreken over zijn filmrecensies “Het feit doet zich voor, dat in deze recensies allerlei kleine speldeprikken of licht ironische opmerkingen voorkomen, die beter kunnen worden vermeden. De Amsterdamse redactie haalt deze dingen er zorgvuldig uit, maar het is natuurlijk veel eenvoudiger en beter, indien de man [. . .] zijn neiging tot ironische zin weet te bedwingen”. Op 20 juli benoemde Rost van Tonningen de NSB-ers H.J. Kerkmeester tot directeur van De Arbeiderspers en W. Goedhuys tot hoofdredacteur van alle kranten en periodieken van De Arbeiderspers. Samen met zijn broer Jan nam Simon Carmiggelt om principiële redenen op staande voet ontslag. Dezelfde nacht verhing Y.G. van der Veen zich op de bovenste verdieping van De Rode Burcht, een maand later verdween ‛sociaal-democratisch’ uit de kop van Vooruit.

Bovenstaand artikel is vorig jaar geschreven n.a.v. de tentoonstelling Chroniqueur van het dagelijkse leven. 100 jaar Simon Carmiggelt, journalist en columnist, die eind 2013 / begin 2014 in het Persmuseum te zien is geweest. Nu is tot februari 2016 er de jubileumtentoonstelling te zien: 10&x215;10=100 jaar Persmuseum. Tien gastconservatoren, onder wie VKTV-lid Jan Knaap, kozen ieder tien onderwerpen uit.

foto

foto