naar vorige artikel

Au Courant 21 / 2 (november 2015), pag. 9-14

dit artikel in pdf

naar volgende artikel

‛Geen berichten opnemen die ontsteltenis kunnen wekken’ – de Nederlandse pers tijdens 1914–1918

Anton T. Kruft

Er werd door de overheid geen censuur ingesteld tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wel deed de Nederlandse regering een beroep op de redacteuren van de dag- en weekbladen om zich terughoudend op te stellen met betrekking tot de berichtgeving over de oorlog. De neutraliteit van het land mocht niet in gevaar worden gebracht. Over het algemeen werd daar braaf gehoor aan gegeven.

Wie zich niet voldoende terughoudend op zou stellen liep kans op vervolging op grond van artikelen 98 en 100 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende staatsgeheimen en het in gevaar brengen van de Nederlandse neutraliteit. De pers beijverde zich echter om zo neutraal mogelijk over de oorlog te berichten, wat werd ingegeven door de overweging op vele redacties dat de buitenlandse media de aanstichters van de oorlog waren geweest. Een oorlogszuchtige stemming deed de oplage omhoog schieten! En daar ging het veel buitenlandse kranten om.

Gids door de oorlog

In Nederland was dat over het algemeen anders vanwege een andere journalistieke cultuur. In 1869 was namelijk de dagbladzegel afgeschaft. Dat was een belasting op kranten, die in 1812 was ingesteld. Kranten werden daardoor zo duur dat slechts de rijke elite ze kon kopen en lezen. Door de afschaffing ervan halveerden de kranten in prijs en werd het een medium voor de massa. De redacteuren maakten er een zaak van om aan te tonen dat kranten een opbouwende rol konden spelen door burgerlijke deugden uit te dragen, zoals fatsoen, tolerantie, beheersing en inzet voor maatschappelijk belang. Een bekend voorbeeld daarvan was het protestantse blad De Standaard, dat geleid werd door de Antirevolutionaire voorman, Abraham Kuyper (1837–1920); bij hem ging het om kennis, karakter en kunde. Ook Charles Boissevain, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, die een machtig netwerk onderhield van politici en zakenlieden, was met zijn scherpe pen zo'n volksopvoeder. De dagbladen zagen zichzelf als een soort ‛gids’ om hun lezers te helpen bij hun ontwikkeling. Een sprekend voorbeeld hiervan is de reactie van het weekblad Eigen Haard, nadat in Nederland een run op de banken was ontstaan toen de oorlog uitbrak. Spaarrekeningen werden in allerijl leeggehaald, bang als men was om de spaarcenten te verliezen. Eigen Haard gaf daarop een ‛lesje economie’ in maar liefst elf pagina's, aangevende dat “Wie zilvergeld oppot doet, speciaal in dezen tijd, een anti-sociale daad. Degenen die het deden hebben de regeering gedwongen tot de uitgifte der zilverbons […] Wij hebben allen in deze moeilijke tijden een onafwijsbare plicht: zoo rustig en kalm mogelijk te zijn en vóór alles aan het algemeen belang te denken, in plaats van ego‹stisch een voordeel trachten te behalen op onze medemenschen.”

Geen sensatie dus, maar een enigszins afstandelijke journalistieke stijl. De licht belerende stijl van het journalistieke bedrijf in Nederland was bijzonder geschikt om een neutrale visie over de oorlog te verkondigen. Dit werd nog versterkt door het propageren van de Nederlandse volkenrechtelijke traditie, die een extra accent had gekregen met de twee internationale vredesconferenties, die in 1899 en 1907 in Den Haag werden gehouden. Daar namen alle grote mogendheden aan deel en tijdens de laatste conferentie was ook nog eens besloten een Hof van Arbitrage op te richten dat zitting zou nemen in een nieuw te bouwen Vredespaleis in Den Haag, dat in 1913 officieel werd geopend.

Een uitzondering op deze algemene Nederlandse journalistieke cultuur was De Telegraaf, die al sinds 1902 een meer emotionele, sensationele stijl in haar berichtgeving voerde. Alhoewel de meeste Nederlandse dagbladen de stijl van De Telegraaf verafschuwden, werd naarmate de oorlog vorderde, een subjectievere berichtgeving ook door andere kranten overgenomen vanwege de enorme nieuwshonger die de oorlog bij het publiek teweeg had gebracht. In korte tijd verdubbelde de dagbladruimte aan buitenlands nieuws en deed een nieuw genre haar intrede, zoals interviews, rapportages en commentaren van redacteuren. Het weekblad De Groene, opgericht in 1877 voor handel, industrie en kunst, bleef echter dé representant van de vooroorlogse afstandelijke en zedenmeesterachtige journalistieke stijl met vooral achtergrondartikelen, opiniestukken en analyses. Het dagblad De Amsterdammer van 1883 had eenzelfde journalistieke stijl als die van De Groene.

foto

Tekening van Jan Sluijters op de cover van De Nieuwe Amsterdammer van 14 augustus 1915

Sympathieën en antipathieën

Alhoewel de pers zich keurig hield aan een zo neutraal mogelijke berichtgeving, had een aantal kranten ook duidelijke sympathieën voor een van de twee oorlogvoerende partijen. Zo was de Amsterdamse De Telegraaf een pro-Britse opinie toegedaan en was bij gevolg sterk anti-Duits. Daarbij speelden de politieke tekeningen van Louis Raemaekers (1869–1956) een belangrijke rol. De tekeningen werden net zo gehaat in Duitsland als bewonderd in Engeland en werden ook in sommige Britse bladen geplaatst. Vrij snel na het uitbreken van de oorlog werd de pro-Duitse correspondent uit Berlijn teruggeroepen, die daarna ‛redacteur binnenland’ werd en vrij snel daarop werd ontslagen. De Telegraaf nam over het algemeen berichten over van het persbureau Reuters Amsterdam Branch, dat zich beijverde om in de inhoudelijke informatie die het doorgaf, vooral de boodschappen van de officiële Britse propaganda te verwerken. De pro-Britse houding zou zijn ingegeven door de financiële belangen van de aandeelhouders en de positie van de Shell, die grote belangen met Londen had. Daarenboven was de Amsterdamse financiële wereld sterk verbonden met die van Londen. Dit alles ondanks het feit dat de Boerenoorlog (1899–1902) in ons land diepe sporen had nagelaten die geen plaats lieten voor waardering van het Britse Rijk. En ook de Britse blokkademaatregelen tegen onze overzeese handel had nauwelijks invloed op de redactie van het blad.

Bij de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC) lagen de sympathieën en antipathieën precies andersom. De NRC was pro-Duits; twee van haar topfiguren hadden ook Duits geld aangenomen. De pro-Duitse geaardheid had te maken met het feit dat de Rotterdamse haven in hoge mate verbonden was met het Duitse Ruhrgebied, met uiteraard grote economische voordelen voor de haven en de stad. Dit speelde in de opstelling van de krant een grote rol. Bovendien was er het – in 1868 (hernieuwde) – Rijnvaartverdrag met Duitsland, dat inhield dat “de Rijn vrij is voor alle schepen van alle naties voor vervoer van goederen en personen… ” Dit intergouvernementeel verdrag zou ook tijdens de oorlog van kracht blijven. Duidelijk was dat er economische belangen voor Nederland en vooral voor Rotterdam op het spel stonden om het verdrag te handhaven. Anderzijds moest de Britse overheid duidelijk worden gemaakt dat dit ook niet anders kon, gezien het internationale karakter ervan. Via Britse spionnen in Rotterdam werd overigens goed oog gehouden op de goederen die vanuit de Rotterdamse haven naar Duitsland werden verscheept.

Zoals gezegd was De Groene wars van emotionele en subjectieve berichtgeving en men bleef die journalistieke lijn gedurende de gehele oorlog volgen. Desalniettemin klonken daarin ook anti-Duitse opvattingen door. Ook dit blad accentueerde zijn artikelen op kunstzinnige wijze, met spotprenten van de bekende Nederlandse schilder Jan Sluijters (1881–1957), die zowel de binnenlandse politiek als die van de oorlogvoerende partijen – vooral de Duitse – op de hak nam. Het blad ontving dan ook regelmatig commentaar van de lezers, waarbij de pro-geallieerde redacteuren – waaronder ook de bekende schrijver Frederik van Eeden – het zwaar te verduren kregen. In Duitsland werd De Groene gezien als behorende tot de ‛Deutschfeindliche Presse’, waartoe ook de dagbladen De Amsterdammer, De Telegraaf en het Algemeen Handelsblad werden gerekend. De Kölnische Zeitung was van mening dat Duitsland, zodra de oorlog zou zijn afgelopen, de vijandige Nederlandse bladen zou aanklagen; een bedreiging die in Nederland weinig indruk maakte en nauwelijks serieus werd genomen.

Desalniettemin bleven de meeste dag- en weekbladen neutraal in hun berichtgeving. Dit is vooral zichtbaar in de geïllustreerde weekbladen als De Prins en het Stuiversblad. Deze bladen plaatsten tussen de feuilletons, zoals ‛De Roman van een Typiste’ veel foto's van de fronten met de meest afschuwelijke verwoestingen. De enige berichtgeving over de oorlog was dan het onderschrift van die foto's, aangevende waar de ellende aangericht was. Af en toe was er een kort commentaar van de redacteuren, waarin de banaliteit van de oorlog in algemene bewoordingen werd afgekeurd.

foto
Anti-Duitse tekening van Louis Raemaekers in De Telegraaf van 9 oktober 1915. Enkele teksten op de peperbus: ‛Wij fechten voor die freie See Garantirt Pruissische – Katwijk – Medea – Batavier – Falaba – Lusitania – Arabic – & Hesperian – Manieren. Coulante bediening.’ ‛Wij geven gratis chemische und adviezen aan smokkelaars’

Nederlandse bladen in België

In tegenstelling tot De Telegraaf mocht de NRC van de Duitse bezettende macht ook in België worden verspreid, vooral omdat de berichtgeving daarin evenwichtiger was dan die van het Amsterdamse blad. Ook het in Maastricht uitkomende blad De Limburger Koerier werd in België verspreid. Het blad had twee verschillende edities, een Nederlandse en een Vlaamse, met een berichtgeving die soms onnavolgbaar was. Zo kregen op 26 mei 1917 de Belgen te lezen dat er aan het Isonzo-front 5.900 Italianen krijgsgevangen waren gemaakt, terwijl op diezelfde dag in de Nederlandse editie vermeld werd dat de Italianen 9.000 Oostenrijkse krijgsgevangen hadden gemaakt!

Het in 1914 opgerichte blad De Toekomst, dat elke twee weken uitkwam en later iedere maand, had eveneens een verspreiding in België. De redactie kwam er voor uit, dat het belangrijk was om Duitsland te steunen, want, zo schreef het blad, “Pas als Duitsland de oorlog wint komt er rust in Europa.” Het blad huldigde ook de opvatting dat de bezetting van België een ‛Kriegsnotwendigkeit’ was. De Toekomst gaf ook sterke steun aan de Vlamingen-politiek van de Duitse bezettingsmacht in België, door de Duitsers bedoeld om van binnen uit in België ondersteuning te krijgen voor de Duitse zaak. Het blad gaf tevens alle steun aan de Nederlandse dominee Domela Nieuwenhuis, die een zeer pro-Duits standpunt huldigde en betrokken was bij de oprichting van de eerste Vlaamse universiteit in Gent. De Toekomst was op Nederlands initiatief opgericht zonder enige inmenging van Duitse agenten, die wel de helft van de oplage opkochten voor verdere verspreiding in Vlaanderen. Maar de visie van De Toekomst was in Nederland niet onbestreden. Een aankomend verslaggever, L. Mokveld, die door het dagblad De Tijd naar het oorlogsgebied in België werd uitgezonden en de verwoestingen zag die de Duitsers in het land hadden aangericht, schreef daarover: “De Toekomst, Duitse propaganda onder Nederlandse vlag.” De rapportages van Mokveld werden later gebundeld en in 1916 uitgegeven onder de titel De overweldiging van België, een verslag dat gebaseerd was op zijn voet- en fietstochten door België om met eigen ogen te kunnen zien wat er was gebeurd in Luik, Antwerpen, Ieper, Leuven en andere steden. Normaliter mochten Nederlandse oorlogscorrespondenten niet zonder begeleiding de oorlogsfronten bezoeken. Hun berichten werden dusdanig gecensureerd dat deze daardoor haast onherkenbaar waren geworden en een flauw aftreksel was van wat er zoal gebeurde.

foto

De Notenkraker van 13 mei 1916 met een tekening van Albert Hahn. De Notenkraker verscheen als wekelijks supplement bij het socialistische dagblad Het Volk en was vooral bedoeld als satirisch tijdschrift met indringende spotprenten van Albert Hahn. In de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog werd de oorlogsdreiging het belangrijkste thema en werd het blad sterk antimilitaristisch. Tijdens de oorlog werd, zonder expliciet partij te kiezen, stelling genomen tegen alles wat de oorlog veroorzaakte – een oorlog die alleen maar verderf zaaide

Arrestatie hoofdredacteur

Ook al verzorgde de Nederlandse pers over het algemeen een evenwichtige berichtgeving, toch kon niet worden voorkomen dat als de emoties door de oorlogsgebeurtenissen hoog opliepen, de sympathieën en antipathieën zodanige vormen aannamen dat van ‛evenwichtigheid in berichtgeving’ minder sprake was. Dit werd uiteraard ook opgemerkt door buitenlandse agenten die in Nederland waren gestationeerd. Op klachten van buitenlandse autoriteiten antwoordde de minister van Buitenlandse Zaken, Loudon, plichtsgetrouw dat zij zich moesten richten tot de redacties van die kranten. Een neutraal land was immers niet verplicht op te treden tegen kranten die partij kozen voor één van de oorlogvoerende partijen. Toch greep de regering wel in als zij van mening was dat redacteuren over de schreef gingen. Dat gebeurde vaak informeel of indirect. Zo kreeg De Groene in augustus 1914 een brief van de Nederlandse opperbevelhebber generaal Snijders, waarin hij klaagde over het plaatsen van kaarten van de Nederlandse waterlinie in het nummer van 23 augustus. Naar zijn mening had het weekblad met deze strategische informatie het landsbelang in gevaar gebracht. Maar daar bleef het dan bij.

In sommige gevallen trad de regering wel degelijk op. Een bekend voorval was de arrestatie van de hoofdredacteur van De Telegraaf, J.C. Schröder. Deze had in juni 1916, ten tijde van de gevechten bij Verdun en het begin van de slag aan de Somme, een artikel geschreven over “gewetenloze schurken in het centrum van Europa, die onschadelijk moesten worden gemaakt.” Volgens regeringsautoriteiten had hij daarmee de neutraliteit in gevaar gebracht, want iedereen wist dat hij daarmee Duitsers bedoelde. Hij werd daarvoor, op basis van artikel 100 van het strafrecht, gearresteerd en belandde in de gevangenis. De Groene nam het voor Schröder op. De hoofdredacteur van het blad Henri Wiessing schreef daarover: “Nu is het volkomen juist dat de oorlogstemming in de oorlogvoerende landen zeer gespannen is, en gauw geprikkeld. Wij zullen daarom allen, als penvoerders van een kleine natie die we zijn, ons nooit nodeloos scherp mogen uitdrukken, en ook nooit – om iets te noemen – onze Regering of Militaire leiding in onze beschouwingen mogen betrekken. Maar angst is een slechte raadgever. Geen eerlijke en bezadigde volksuiting en geen open klinkende persstem is ooit oorzaak geweest, dat een volk oorlog maakte met een ander.”

Schröder bleef 27 dagen in het gevang en werd na vier maanden vrijgesproken. Overigens kreeg de redacteur van De Groene naar aanleiding van pro-Belgische passages in hetzelfde artikel een waarschuwing van de generale staf. Zijn oproep aan de Nederlanders om hun Belgische ‛broedervolk’ te steunen in het leed dat zij in deze oorlog ondergingen en het benadrukken van de vriendschap tussen de twee landen, was volgens de generale staf in strijd met de strikte naleving van de neutraliteit. Voor velen van de pers was het steeds weer een tweestrijd tussen behoedzaamheid en openheid.

Evenwichtig

Uiteraard was er af en toe sprake van partijdige berichtgeving. Dit was niet te voorkomen, maar het aantal gevallen waarin de overheid moest optreden waren in die vier jaar vrij zeldzaam. De pers begreep het belang van de Nederlandse neutraliteit en handelde er ook naar; de overheid wist met minimaal ingrijpen, begrip en takt te voorkomen dat de pers al te zeer monddood werd gemaakt. Volgens premier Cort van der Linden mocht het niet zo zijn dat in een vrij en democratisch land als Nederland pers en politiek niet tot samenwerking konden komen. In een brief aan de voorzitter van de Nederlandse Journalistenkring schreef hij kort na het uitbreken van de oorlog: “Begrijpelijkerwijze worden thans allerlei sensationeele berichten verspreid die, ofschoon absoluut oncontroleerbaar en dan ook veelal geheel onbetrouwbaar, niet nalaten een groot deel van het publiek nodeloos te verontrusten. Het zou van groot belang zijn, indien de pers zich van dergelijke meedeelingen onthield en geen berichten die ontsteltenis kunnen wekken opnam, alvorens de juistheid althans zoveel doenlijk is vastgesteld.” Over het algemeen was die opvatting voor de gehele oorlogsperiode niet aan dovemans oren gericht.

Dit artikel verscheen eerder in het Thematijdschrift ‛Nederland en de Eerste Wereldoorlog’ (maart 2014, pp. 44–48), zie: www.thematijdschriften.nl/index.php/jaargang-2014.

Bronnen

– Brolsma, M., ‛Op den uitkijk tegen de Duitsche indringing’, in: De Grote Oorlog, Kroniek 1914–1918, deel 6 (Soesterberg, 2008), pp. 113–315
– Kremers, Vincent, ‛Propaganda in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog’, zie: www.wereldoorlog1418.nl/propaganda-nederland/
– Steenvoorden, H., ‛Een groep gewetenlooze schurken die dezen oorlog veroorzaakt hebben’, in: De Grote Oorlog, Kroniek 1914–1918, deel 16 (Soesterberg, 2004), pp. 11–124
– Weegink, G.J.J., ‛De geest van augustus: stemmingen en gevoelens in Nederland in augustus 1914 bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog’, in: De Grote Oorlog, Kroniek 1914–1918, deel 27 (Soesterberg, 2004), pp. 13–122
–Geïllustreerd Stuiversblad, jaargang 1917
–De Prins der Geïllustreerde Bladen, jaargangen 1914 t/m 1918.