naar vorige artikel

Au Courant 21 / 2 (november 2015), pag. 14-16

dit artikel in pdf

naar volgende artikel

Boekrecensies over de Indische pers

Gerard Raven

Gerard Termorshuizen, Een humaan koloniaal: leven en werk van Herman Salomonson alias Melis Stoke (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar 2015), isbn 978-90-388-0071-4, 326 pagina's, paperback € 24,99, e-boek € 14,99

Enkele jaren geleden bezochten Paul Klein en ik ons lid Gerard Termorshuizen voor een verslag in dit blad (Au Courant 19/1, pag. 12–16). Gerard had net zijn monumentale tweedelige geschiedenis van de Nederlands-Indische pers af. We schreven toen:
“Inmiddels heeft Gerard een nieuw project: het archief van de Haagse afdeling van persbureau Aneta ligt bij hem thuis. Het liefst zou hij een biografie hebben geschreven over Dominique Berretty, de eerder genoemde oprichter van persbureau Aneta in Batavia, maar dat zou te ver hebben gevoerd. Dus wordt het een boek over Berretty's Haagse zetbaas Herman Salomonson (1892–1942), die in de jaren twintig onder het pseudoniem Melis Stoke in de Java-Bode publiceerde, de krant waarvan hijzelf hoofdredacteur was.”
En dat boek is nu uit. Ik heb het meteen laten komen en er op vakantie heerlijke uren in doorgebracht.

Termorshuizen is door zijn grondige kennis van de koloniale samenleving en persgeschiedenis de ideale biograaf van Salomonson. De nabestaanden hebben de familiecorrespondentie en andere stukken goed bewaard in een grote huthoffer, die hij ook mocht gebruiken. Sommige biografen maken de fout teveel details in een boek te willen stoppen, waardoor de hoofdpersoon ondersneeuwt. Daar heeft Termorshuizen geen last van; hij weet zoveel dat dat niet meer nodig is, net als bij zijn biografieën van journalist P.A. Daum en prostitué Marietje van Oordt. In rake en leesbare woorden schetst hij het leven en werk, zowel als journalist als literator. Daarmee voert hij de lezer mee in een boeiend en vlot verhaal; je blijft gewoon lezen! Ik was er in drie dagdelen doorheen.

Salomonson groeide op in een bemiddeld joods milieu, gelovig maar zonder synagogebezoek. Hij trouwde een katholieke vrouw en begon tijdens de Eerste Wereldoorlog als journalist bij De Groene Amsterdammer, waardoor hij een reputatie opbouwde als auteur van proza en rijmkronieken, puntige actuele gedichten. Annie Salomonson belastte het huwelijk met eindeloze ruzies, maar hij bleef haar trouw. Ook in zijn zakelijke contacten was Herman een bruggenbouwer, een groot talent gezien de eindeloze intriges van zijn collega-hoofdredacteuren. Op de achtergrond speelde mee dat het ontluikend Indonesische nationalisme de blanke opinieleiders ernstig verdeelde, maar hen uiteindelijk als groep verenigde in een conservatiever beleid. Salomonson toonde begrip voor de inheemse wensen en stak vaak zijn nek voor hen uit, al kon ook hij zich niet voorstellen dat het land binnen afzienbare tijd geheel onafhankelijk zou worden.

foto

Zijn grootste verdienste lag echter in het feit dat hij in 1923–1926 van de zieltogende Java-Bode weer een financieel gezond en leesbaar blad maakte. Dit was een soort NRC voor de betere klassen, met een gematigd oordeel over de politiek, dat enkele jaren een te rechtse koers had gevaren. Dat betekende voor Herman wel bijna dag en nacht werken in de drukkende tropische hitte van de benedenstad van Batavia, waardoor je kleren drijfnat werden. Als hij niet schreef werd hij wel verwacht bij borrels en culturele uitvoeringen. In zijn vrije tijd maakte hij dat weer een beetje goed met een extravagant luxe levensstijl, gefinancierd met zijn uitzonderlijk hoge salaris. Het is verbazend dat hij ook nog tijd vond om romans te schrijven die als feuilleton verschenen. Termorshuizen is overigens maar af en toe onder de indruk van de kwaliteit daarvan en hij signaleert dat Herman de IndonesiČrs eigenlijk niet echt had leren kennen, waardoor hij meestal alleen over de blanke samenleving schreef. Salomonson was een hartelijke maar gesloten man, die zijn gevoelens niet kon uiten en dan maar een luchtige, ironische toon koos.

In 1927 verhuisde het gezin Salomonson naar Den Haag, waar Herman directeur werd van de Nederlandse dochter van Aneta. Zo bleef hij intensief betrokken bij de Indische pers. Boeiend is het te lezen dat hij dat jaar de eer had als eerste een Nederlands radiobericht voor Indië te mogen inspreken, een toespraak tot de Bataviase hoofdredacteuren. Een jaar later kon men een draadloos telefoongesprek voeren en in 1934 kreeg Indië ook radio-uitzendingen. In 1935–1936 keerde Herman tegen zijn zin en alleen terug naar Indië om Aneta te redden na Berretty's dood. In die tijd schreef hij naar zijn gezin in Nederland:

‛Het is dan nog niet warm en ik transpireer pas na het bad bij het aankleeden. . . . [Bij het ontbijt] lees ik een heel boekdeel: al het wereldnieuws dat onze marconisten . . . dien nacht hebben opgevangen en dat de nachtredacteuren hebben uitgewerkt. Dat moet allemaal nagezien worden en dat duurt tot acht uur, al etende en aanstreepende. Dan stap ik in de auto … Nu, daar gaat het dan aan de gang. Telefoneren, stapels papier, meneeren met dingen om te onderteekenen. Tusschen zes en twee roepen onafgebroken de radiozenders van Bandoeng de Aneta-telegrammen rond. Om twaalf uur is de groote telegrammen-distributie voor de ambtenaren in de buitengewesten, op verre eilanden. Om half een gaat het nieuws naar de varende schepen. Dan gaat het nieuws in de lucht naar Holland, voor het buitenland enz. Het is een groot en druk kantoor. Met vele, vele menschen erin.’ (pag. 221)

Opmerkelijk is zijn bekering tot de christelijke Oxford-Groep (later Morele Herbewapening) in 1936, waardoor zijn teksten een ernstiger toon kregen, vooral in de romans.

Bij de mobilisatie van 1939 werd hij verbindingsofficier. Na de Duitse inval las hij zo een radiobericht voor dat er Duitse parachutisten in Nederlandse uniformen geland waren. Hoewel dit juist was, geloofden de Duitse autoriteiten het zelf niet en Herman belandde in het Oranjehotel. Men bood hem vrijheid aan in ruil voor collaboratie, maar dat wees hij af. Uiteindelijk overleed hij in Mauthausen.

Ik kan maar twee kleine aanmerkingen maken. Soms noemt de auteur iets als nieuw dat al eerder ter sprake kwam; bijvoorbeeld de groeiende afstand tussen blanke expats en inheemse bevolking na 1900 (pags. 64 en 90). En de verwijzingen naar publicaties van Herman aan de hand van het jaartal is onvoldoende wanneer er dan meer dan één waren. Kortom: warm aanbevolen!